De officiële kleinste stad van Nederland is Staverden in Gelderland. Met ongeveer 50 inwoners en een oppervlakte waar je in vijf minuten doorheen loopt, mag dit gehucht zich sinds 1298 officieel een stad noemen. In de praktijk wordt Bronkhorst vaak als kleinste stad gepromoot, omdat dat meer op een ‘stadje’ lijkt (met straten en huizen) dan het bosrijke Staverden.
Veel van deze plaatsjes waren vroeger belangrijke handelsposten of vestingen die de groei van de moderne tijd hebben gemist. Hierdoor zijn het nu vaak prachtige, verstilde monumenten.
Hier zijn de 10 steden met de minste inwoners.
1. Staverden (Gelderland) – ca. 50 inwoners
Dit plaatsje op de Veluwe kreeg in 1298 stadsrechten omdat graaf Reinoud I er een grote stad van wilde maken. Dat plan mislukte. Er kwamen nooit veel huizen, alleen een groot landgoed en een kasteel. Het staat nu bekend als de “kleinste stad van de Benelux”, hoewel het feitelijk een landgoed is met wat boerderijen eromheen.

2. Sint Anna ter Muiden (Zeeland) – ca. 50 inwoners
Deze concurrent van Staverden ligt in het uiterste puntje van Zeeuws-Vlaanderen, tegen de Belgische grens. In de Middeleeuwen was dit een bruisende voorhaven van Brugge. Na de verzanding van de haven trokken de mensen weg. Nu is het een beschermd stadsgezicht met slechts een handjevol huizen rondom een groot marktplein en een kerk.
3. Bronkhorst (Gelderland) – ca. 90 inwoners
Toeristen kennen Bronkhorst als “het kleinste stadje van Nederland”. In tegenstelling tot Staverden heeft Bronkhorst een echt stratenplan en een compacte bebouwing, waardoor het stadser aanvoelt. De stad ontstond rondom een inmiddels verdwenen kasteel aan de IJssel en kreeg in 1482 stadsrechten.
4. Eembrugge (Utrecht) – ca. 130 inwoners
Verscholen in de gemeente Baarn ligt Eembrugge. Het kreeg al in 1300 stadsrechten en is daarmee ouder dan Amsterdam. Het “stadje” bestaat eigenlijk maar uit één straat en de brug over de rivier de Eem. Het is de kleinste stad van de provincie Utrecht.
5. Blankenham (Overijssel) – ca. 300 inwoners
Dit dijkdorp in de Kop van Overijssel kreeg in 1418 stadsrechten. Het moest dienen als een vesting tegen de Friezen, maar verloor al snel zijn betekenis. Tegenwoordig is het een rustig dorpje aan de dijk van de voormalige Zuiderzee, waar bijna niemand weet dat het ooit een stad was.
6. Laag-Keppel (Gelderland) – ca. 450 inwoners
Gelegen in de Achterhoek aan de Oude IJssel. Laag-Keppel heeft alles wat een stadje moet hebben: een middeleeuws kasteel (Kasteel Keppel), een windmolen en een ophaalbrug. Het werd in de Tachtigjarige Oorlog grotendeels verwoest, maar de historische sfeer is goed bewaard gebleven.
7. Batenburg (Gelderland) – ca. 650 inwoners
Aan de Maas ligt dit pittoreske stadje met de ruïne van een van de oudste kastelen van Gelderland. De witte huisjes en de boomgaarden geven het een idyllische uitstraling. Omdat het aan de rivier lag, was het vroeger strategisch belangrijk en had het zelfs zijn eigen muntrecht.
8. Sloten (Friesland) – ca. 715 inwoners
Sloten is de kleinste van de beroemde Friese Elfsteden. Het is een perfect bewaard vestingstadje met wallen, grachten en poorten. Omdat de stadswallen nog helemaal intact zijn, is uitbreiden onmogelijk, waardoor Sloten altijd klein is gebleven. In de zomer is het druk met watertoeristen.
9. Hindeloopen (Friesland) – ca. 875 inwoners
Ook een van de Elfsteden. Hindeloopen had in de Gouden Eeuw een enorme handelsvloot en ontwikkelde een compleet eigen klederdracht, schilderkunst en zelfs een eigen taal (het Hindeloopers). Het ligt aan het IJsselmeer en is nu vooral geliefd bij kitesurfers en toeristen.
10. Grafhorst (Overijssel) – ca. 1.000 inwoners
Vlakbij Kampen ligt dit kleine stadje aan het Ganzendiep. Het kreeg in 1333 stadsrechten, waarschijnlijk meer om juridische redenen dan vanwege de grootte. De inwoners worden in de regio gekscherend “Uutkiekers” genoemd, omdat ze vroeger over het water uitkeken naar de vijand (of naar de visvangst).